Invloed van inflatie en welvaartsgroei op koopkracht

 
  • Financiële doelstellingen gaan niet zozeer over geld, maar over het (toekomstige) vermogen om goederen en diensten te kunnen financieren.

  • Het sparen om huidige inkomsten ook in de toekomst uit vermogen te kunnen genereren zal leiden tot teleurstelling omdat over twintig jaar de huidige inkomsten bij lange na niet dezelfde consumptie-uitgaven kunnen verwezenlijken.

  • De financiële planner dient dus rekening te houden met  inflatie. Anders levert hij broddelwerk.

  •     

     

     

    Met de modules  "Inventarisatie huidige vermogenspositie"  en "sparen/beleggen" krijgt de financiële planner essentiële rekentools tot zijn beschikking.

    Grafiek effect koopkracht inflatie

    Willen we over 20 jaar nog steeds een koopkracht van € 10.000 hebben, dan zal op dat tijdstip een bedrag aanwezig moeten zijn een bedrag groot:

    1% inflatie:  € 12.202

    2% inflatie:  € 14.859

    3% inflatie:  € 18.061

    en omgekeerd, grafiek koopkracht verlaging door inflatie.

    als we over 20 jaar de beschikking hebben over € 10.000 , dan zal op dat tijdstip dat  bedrag een koopkracht vertegenwoordigen van:

    1% inflatie:  €   8.195

    2% inflatie:  €   6.730

    3% inflatie:  €   5.537

     

    Welvaartsniveau

     

    Maar, ook al houden we rekening met inflatie:

    Het welvaartsniveau bij economische groei wordt zodoende nog steeds niet bereikt.

    Immers: inkomsten ontwikkelingen gaan doorgaans de inflatie te boven.

    Diegenen die in 2009 op 65 jarige leeftijd met pensioen gingen, en een doorgebrachte

    diensttijd van 40 jaar hadden bereikt, werden in 1969 in de pensioenregeling opgenomen.

    Het modale inkomen in 1969 bedroeg ± € 5.500

    Het modale inkomen in 2009 bedroeg ± € 31.000

    Dit betekent een gemiddelde salarisverhoging van ± 4,5% per jaar (s.i.)

    De inflatie gedurende de afgelopen 10 jaar was zo'n ± 2,5% per jaar (s.i.)

    Zou de salarisverhogingen met slechts het inflatiepercentage zijn aangegroeid dan zou de koopkracht zijn gelijk gebleven, maar er zou geen groei in welvaart zijn geweest. Immers het inkomen in 2009 zou dan tot slechts € 14.768 zijn aangegroeid.

    Welvaart, zoals het bezit van een auto, vakanties, computer etc, zou dan niet tot de financiële mogelijkheden behoren